Nieuws Online Magazine

lifestyle Cultuur

Vanaf 1947 met het CBS op vakantie

nieuws online

Vanaf 1947 met het CBS op vakantie.

Omstreeks 1915 was de fietskampeerder nog een curiositeit. ‘Wat jullie padvinders maar plezier noemen’ was de reactie van de eigenaar van een theeschenkerij op de mededeling van een fietstoerist die zei dat hij voor zijn plezier onderweg was. Kamperen, dat deden alleen soldaten en padvinders.Maar kamperen wordt snel populair. De trek met de tent naar buiten is onderdeel van het verlangen naar natuur. Een ijkpunt daarvoor was het verschijnen van het maandblad De Levende natuur (1896). Het kreeg een vervolg met de publicatie van de natuurboeken van E. Heimans en Jac. P. Thijsse (1893), de Verkadealbums (1906), de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten (1905), de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging (1910). In dat rijtje past ook de linnen tent. Het zijn de beter-gesitueerde jongeren die er met de tent op uit trekken. Op die manier konden zij zich onttrekken ‘aan de als rigide ervaren leefregels van alledag.’ Meer vrije tijd, de brede beschikbaarheid van de fiets en van goedkope Amerikaanse legertenten begunstigden het kamperen. Het ANWB-blad de Kampioen (1885) berichtte enthousiast over de fietskampeerder, de ‘vagebonderende wielrijder’.

Camping Bakkum

In 1914 kregen enkele natuurliefhebbers toestemming hun tent op te slaan op het landgoed van de Duitse prinses Von Wied in Bakkum, in het duingebied boven Castricum. Provinciale Staten van Noord-Holland, enkele jaren later de beheerder van het terrein, gaf in 1921 enkele jongelui uit Schagen een vergunning om op het landgoed te kamperen. Zij kregen er de beschikking over een nortonpomp om duinwater op te pompen, en een toilet. Op die manier kon aan ‘de eisen van zeden en welgevoeglijkheid’ worden voldaan. Midden jaren dertig werden voor Bakkum jaarlijks al zo’n 7 duizend kampeervergunningen uitgereikt. Een kampeervergunning voor 14 dagen kostte 1 gulden. Een politieagente waakte over de zedelijkheid. Niemand mocht zich in zwempak of op andere wijze onvoldoende gekleed op het terrein vertonen. Dan staan er ook de eerste toiletgebouwen, zijn er wasgelegenheden, is er een wachtershuisje, een geïmproviseerd autoparkeerterrein en een winterberging voor het kampeermateriaal.

Ruimtelijke aspecten van vakantie

Na 1945 kwam er meer aandacht voor de beleidsaspecten van de vrijetijdsbesteding. De Rijksdienst voor het Nationale Plan gaf in 1947 de Nederlandse Stichting voor Statistiek (NSS), het in augustus 1940 opgerichte commerciële zusje van het CBS, de opdracht een onderzoek te doen naar de ruimtelijke aspecten van het vakantiegedrag. Met de onderzoeksgegevens hoopte de dienst een indruk te krijgen van het noodzakelijke voorzieningenniveau. In totaal zijn 22,4 duizend personen uit 6,1 duizend gezinnen ondervraagd over hun vakantiebesteding. Het onderzoek leidde in 1949 tot de publicatie Onderzoek naar de vacantiebesteding buiten de woonplaats in 1947.

Onvrijwillig thuis

Ruim de helft van de geënquêteerden gaf aan op pad te zijn geweest. Het hoogst, 63 tot 65 procent, was de vakantiedeelname in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, het laagst in Noord-Brabant en Zeeland (50 procent). Een groot deel van de Nederlanders ging dus niet op vakantie. Arbeiders gingen het vaakst niet weg (67 procent thuisblijvers), welgestelden gingen het vaakst wel (21 procent thuisblijvers). Elf procent van de geënquêteerden had geen vrijaf gekregen. Een derde bleef onvrijwillig thuis, om diverse redenen: te druk op het werk, geen geld, geen recht op vakantie of daar geen behoefte aan. Overigens zitten in de cijfers van de thuisblijvers ook de vakantiedagen van de mensen die binnen de eigen woonplaats op vakantie zijn geweest.
De vakantiespreiding was gering. Ruim de helft van de vakantiegangers ging in de weken tussen 27 juli en 24 augustus 1947. Topdrukte heerste er tussen 3 augustus en 17 augustus toen 32 procent van de vakantiegangers onderweg was.

Familiebezoek

Familiebezoek was veruit het belangrijkste vakantiemotief, de mogelijkheid van goedkope logies één van de voornaamste redenen. Bijna zes op de tien vakantiegangers trokken naar familie, een op de zes vakantiegangers verbleef in een hotel of een pension, een op de acht trok er met de tent op uit.
Het grote aantal vakantiegangers dat bij familie verbleef had de NSS-onderzoekers verrast. Het bracht hen tot de overtuiging dat de familisten onder de vakantiedeelnemers niet vrij waren in de keuze van de vakantiebestemming en in een ‘dwangpositie’ verkeerden. Een betere vakantiespreiding om de beschikbare logiescapaciteit beter te benutten, zou een oplossing kunnen zijn.
De keuze voor familie zorgde ervoor dat gezinnen breed uitwaaierden over het land. Het aandeel van de overige gebieden (34 procent) was tweemaal zo groot als van de Noordzeebadplaatsen (16 procent) en de Veluwe (18 procent). De aantrekkingskracht van de Veluwe en de Noordzeekust hoefde niet te verbazen. Al ver vóór de Tweede Wereldoorlog waren hier verreweg de meeste campings, kamphuisjes en bungalowbedrijven gevestigd.

Wisseling van decor

Op de Veluwe zaten in de zomer vooral mensen uit het westen van het land. Zesendertig van de honderd Amsterdammers, 35 van de honderd Rotterdammers en maar liefst 44 van de honderd Hagenaars trokken in de zomer naar de Veluwe. De streek won het ruim van de stranden. Een kwart van de Amsterdamse en Rotterdamse gezinnen ging naar zee. Hagenaars hadden die voorkeur niet. Niet meer dan een op de tien Haagse gezinnen bracht de vakantie door aan de Noordzeekust. De voorkeur van de mensen in het westen voor de Veluwe zochten de NSS-onderzoekers in het andere karakter van de vakantieomgeving, de wisseling van decor. Voor de mensen uit Twente gold hetzelfde: zij prefereerden in hun vakantie een gebied met een geheel ander karakter, zoals badplaatsen aan de kust of Zuid-Limburg.

Het moderne vakantieonderzoek

Het CBS heeft het onderzoek naar de vakantiebesteding van huishoudens voortgezet in 1954 en 1960. Dat was panelonderzoek onder enkele tienduizenden personen. In 1964 vond een beperkt steekproefonderzoek naar de vakantiebesteding plaats onder 2 000 personen. Het onderzoek was bedoeld als proefonderzoek om nieuwe vragen te testen en de toepasbaarheid te onderzoeken van het mark sensing systeem van enquêteren, het verstrepen van ponskaarten met een elektrografisch potlood, dat de verwerking van de enquêtes vergemakkelijkte. De uitkomsten zijn vanaf september 1967 in tien delen gepubliceerd in de Sociale maandstatistiek.
Met ingang van 1969 verscheen een beperkt vakantie(bestedings)onderzoek eenmaal per jaar. Daarnaast werd eenmaal in de vier jaar een groter onderzoek gedaan naar de structuur van het toerisme. Vanaf 1992 komen de vakantiecijfers uit het Continu Vakantie Onderzoek, een panelonderzoek, waarvoor een steekproef wordt getrokken uit de TNS NIPObase. Tot 2002 bestond de (netto) respons uit enkele duizenden personen, met ingang van 2002 uit 6,5 duizend personen en vanaf 2017 uit 8 duizend personen. Sinds 2002 wordt het CVO uitgevoerd door NBTC-NIPO Research.

Bronnen